Optimale strategieën voor het opsporen van Steentijdvindplaatsen met behulp van booronderzoek. Een statistisch perspectief

Met dit onderzoek kon de KNA-leidraad voor inventariserend veldonderzoek worden aangescherpt waardoor steentijdvindplaatsen in de toekomst efficiënter kunnen worden opgespoord.

Dit rapport presenteert de resultaten van een onderzoek naar de prospectiekenmerken van Steentijdvindplaatsen in Nederland en Vlaanderen. De aanleiding was de wens van de SIKB om een nieuwe KNA-leidraad voor inventariserend veldonderzoek te ontwikkelen waarvan de nu beschikbare leidraden voor karterend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek integraal deel uitmaken. In dit onderzoek is aan de hand van twaalf steentijdvindplaatsen het verband tussen borend en gravend onderzoek geanalyseerd. Hierdoor kunnen de kansen op succesvolle opsporing en waardering van vindplaatsen beter worden ingeschat.

Dunne spreiding

In dit onderzoek staat het verzamelen van gegevens over de prospectiekenmerken van steentijdvindplaatsen centraal. Uit de huidige praktijk blijkt dat de steentijd relatief minder aandacht krijgt dan latere perioden. Een belangrijke reden hiervoor is dat steentijdvindplaatsen vaak klein van omvang zijn en/of uit een dunne spreiding van (vuur)stenen artefacten bestaan, waardoor ze in de fase van inventariserend veldonderzoek vaak niet worden opgemerkt. Daarom is het van groot belang dat steentijdvindplaatsen in de toekomst efficiënter kunnen worden opgespoord en gewaardeerd.

Voor wie

Dit wetenschappelijk rapport is bestemd voor archeologen die zich bezighouden met prospectief onderzoek.

Colofon

Rapportage Archeologische Monumentenzorg 197
Auteurs: J.W.H.P. Verhagen, E. Rensink, M. Bats en Ph. Crombé
ISBN: 978 90 579 91851
© Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2011